Mauritshuis Den Haag

Het Mauritshuis (officieel Koninklijk Kabinet van schilderijen Mauritshuis) is sinds 1822 een museum in Den Haag met voornamelijk schilderijen uit de Gouden Eeuw. Tot de vaste collectie behoren Het meisje met de parel en Gezicht op Delft van Johannes Vermeer, Het puttertje van Carel Fabritius, De stier van Paulus Potter en De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt van Rijn.

Bouw
De opdrachtgever of bouwheer was Johan Maurits graaf van Nassau-Siegen (1604-1679), de latere gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië. Dit voormalige stadspaleis aan de Hofvijver werd gebouwd tussen 1633 en 1644 en is ontworpen door schilder-architect Jacob van Campen en zijn assistent Pieter Post. Van Campen liet de bouw over aan Post. De bouw duurde onder meer zo lang omdat Johan Maurits in 1636 voor een periode van ruim 7 jaar naar Brazilië ging en er dus geen haast was. Een ander probleem was de brug, die op de plaats van het huidige gebouw zat. Deze mocht niet worden afgebroken voordat er een nieuwe brug was gebouwd met een nieuwe poort naar het Binnenhof, de huidige Mauritspoort.
Het pand werd door Johan Maurits gebouwd uit de opbrengsten van zijn inkomsten als gouverneur-generaal van Nederlands-Brazilië. Een belangrijke inkomstenbron voor de West-Indische compagnie aldaar was de suikerriethandel, die door Johan Maurits gefaciliteerd en uitgebreid werd door een vaste slavenroute te bewerkstelligen tussen Afrika en de WIC-kolonie. Vanwege de lichtgekleurde gevelstenen en zijn feitelijke inkomsten via de suikerrietteelt werd het stadspaleis ook wel smalend het Suikerhuis genoemd.

Hotel van Staat
In 1647 verhuisde Johan Maurits naar Brandenburg-Pruisen, waar hij voor de vorst van Brandenburg stadhouder van Kleef werd. Hij maakte daarna alleen gebruik van zijn Haagse stadspaleis tijdens diplomatieke bezoeken en verhuurde het als een Hotel van Staat aan hoge gasten van de Staten van Holland. Na het overlijden van Johan Maurits in 1679 werd het Mauritshuis gekocht door de Haagse hypotheekhouder Gerrit Maes, die het bleef verhuren aan de staat.

Inrichting als museum
In 1820 werd door de Nederlandse Staat besloten het Mauritshuis op een veiling aan te kopen. Op de benedenverdieping werd in 1821 het Koninklijk kabinet van Zeldzaamheden gevestigd, op de bovenverdieping het Koninklijk Kabinet van Schilderijen. In 1822 verhuisde een collectie van 200 schilderijen, die in 1795 door het Franse leger als oorlogsbuit naar Parijs was overgebracht en na de Napoleontische tijd voor het grootste deel werd teruggegeven aan koning Willem 1, naar het Mauritshuis. Het Kabinet van Zeldzaamheden verliet in 1875 het Mauritshuis.
In 1896 wist directeur van het Mauritshuis Abraham Bredius ( 1855-1946) op een veiling in Parijs Het Puttertje te verwerven. Het was afkomstig uit de voormalige collectie van de Franse kunstcriticus en collectioneur in dienst van Salon de Paris Théophile Thoré, alias William Bürger (1807-1869), aan wie de eer toekomt van Carel Fabritius ‘herontdekking’, evenals die van Johannes Vermeer.

goede alt tekst